Jezus komt spoedig

Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. – Joh. 14:6

Artikelen

In dit thema kunt u verschillende artikelen lezen. De artikelen gaan over (algemene) Bijbelse onderwerpen, profetische onderwerpen en onderwerpen die betrekking hebben op misleidende leringen. Ik bid dat het voor u tot zegen mag zijn!

Beijver u om uzelf welbeproefd voor God te stellen, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen en die het Woord van de waarheid recht snijdt.
– 2 Timotheüs 2:15

2022-04-14

Feiten en fabels over de opname

‘Dit moet u allereerst weten, dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat; want de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen van God, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken.’ (2 Petrus 1:21-22)

Mijn jeugdherinneringen spelen zich af in de jaren tachtig. Ik ben kerkelijk opgegroeid en ik herinner me het enthousiasme van kerkelijke leiders van allerlei pluimage die vertelden over de spoedige opname. Zo bezocht ik een evangelisatiedienst op een zondagavond. Voor mij, als kind, was dat erg spannend omdat ik eigenlijk al naar bed moest. Tijdens de dienst kon ik door de hoge ramen naar buiten kijken en zag ik dat de lucht al aardedonker was. Terwijl ik vermoeid zat te dromen schrok ik op: er kwam door een deur aan de achterzijde van de zaal een man met vreemde kledij schreeuwend naar binnen. Hij vroeg de kerkgangers waarom ze daar zo stil zaten – waarom was er maar zo weinig blijdschap? ‘Jezus komt eraan, Hij komt eraan!’ schreeuwde hij door de kerkzaal. Het publiek werd meegezogen in zijn enthousiasme; ze lachten om zijn grappen en grollen. Het was bijna 1988, we wisten allemaal dat de opname wel heel dichtbij moest zijn. Immers, dit was de generatie van de vijgenboom. Een generatie duurt veertig jaar, Israël was in 1948 gesticht. Tel maar op, het moest wel zo zijn… Maar de dagen van afwachten werden weken, de weken werden maanden en de maanden jaren.

1993 naderde. Het was niet alleen de gelijkenis van de vijgenboom, het ging ook om de één-dag-is-duizend-jaar-analogie. De Heere moest wel in het jaar 2000 terugkeren, tweeduizend jaar na zijn geboorte, zo werd er gedacht. Als de Heere tweeduizend jaar na zijn geboorte zou terugkeren op aarde, dan moest de opname wel voor of in 1993 plaats vinden, zeven jaar voor de wederkomst. En weer bleef het stil. Hij kwam niet.

En weer zitten we in een fase van hoge verwachting: de gelijkenis van de vijgenboom is weer uit de kast gehaald, maar nu met de gedachte dat een generatie tachtig jaar duurt (Psalm 90:10). Wederom kijken we met zijn allen naar alle tekenen en verwachten we dat de opname elk moment kan plaatsvinden. Maar misschien is dit een verschil met toen: voor sommigen lijkt de jeu van het wachten er een beetje af te zijn. Het is tenslotte niet de eerste keer dat de verwachtingen hooggespannen zijn en toen bleek er niet zoveel uit te komen van al die verwachtingen. Hij kwam niet. En waarom zou Hij nu wel komen? Al zo vaak staarden wij naar de hemel, al zo vaak ‘wisten’ we dat het bijna zover zou moeten zijn, maar het leven ging gewoon door. Er werden nieuwe generaties geboren en er stierven generaties mensen en er veranderde eigenlijk niet zoveel.

Misschien mondt het wachten uit in moedeloosheid, misschien noemen sommige mensen het nuchterheid: we kijken altijd uit naar Zijn komst, maar we leven ons leven gewoon door. We vertellen elkaar wat Maarten Luther volgens de overlevering zei: ‘Als ik weet dat Jezus morgen komt, plant ik vandaag een boom.’ De Bijbel noemt dit loslaten van de verwachting geen moedeloosheid of nuchterheid, maar spotten (2 Petrus 3:3-4).

‘Dit moet u allereerst weten, dat er in de laatste dagen spotters zullen komen, die naar hun eigen begeerten zullen wandelen en zeggen: ‘Waar is de belofte van Zijn komst? Want vanaf de dag dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen zoals vanaf het begin van de schepping.’

Spotten dus. Een paar verzen verderop (4 tot en met 7) legt Petrus uit dat deze mensen willens en wetens onwetend zijn. Ze zouden naar de geschiedenis van de wereld moeten kijken en zich er bewust van moeten worden dat de wereld vergaan is door water ten tijde van Noach en de aarde nu als een schat bewaard wordt voor het oordeel over de goddeloze mensen. Dan zal de aarde vergaan door vuur. Dit is wat er komen gaat: de dag van het oordeel en van het verderf van de goddeloze mensen. Onvermijdelijk. Maar let op: er staat dat ‘de dag van het oordeel en van het verderf’ de goddelozen treft (vers 7), niet de gelovigen. De gelovigen zullen blijkbaar niet aanwezig zijn op het moment dat dit oordeel en verderf (een eufemisme voor de verdrukking) de aarde treft.

Misschien zijn er teleurstellingen over datums voor de opname van de gemeente, maar wat in het verleden fout is ingeschat over het tijdstip van de opname van de gemeente (bijvoorbeeld door Edgar Whisenant: ’88 reasons why the rapture will be in 1988’) voegt niets toe en doet niets af van de waarheid. Wat andere mensen ooit hebben verwacht, gedacht of opgeschreven zal wegspoelen als een zandkasteel bij vloed. 1988 en al die andere jaartallen die ooit genoemd zijn doen er niet toe, alleen de beloften uit de Bijbel doen er toe.
Om helder te krijgen wat de opname inhoud wil ik daarom in eerste instantie niet ingaan op meningen of op de geschiedenis van meningen door de eeuwen heen. Centraal staat de vraag wat de Bijbel zegt over de opname en welke ruimte er is om dat op verschillende manieren te interpreteren: is er een eenduidige, Bijbelse boodschap wat betreft de opname?

Bijbelteksten over de opname

Johannes 14:1-3, 1 Corinthe 15:1-53, 1 Thessalonicenzen 4:13-18, Romeinen 8:19,
1 Corinthe 1:7-8, Filippenzen 3:20-21, Kolossenzen 3:4, 1 Thessalonicenzen 1:10,
1 Thessalonicenzen 2:19, 1 Thessalonicenzen 5:9, 1 Thessalonicenzen 5:23, 2 Thessalonicenzen 2:1,3, 1 Timotheüs 6:14, 2 Timotheüs 4:1, Titus 2:13, Hebreeën 9:28,
Jakobus 5:7-9, 1 Petrus 1:7,13, 1 Johannes 2:28-3:2, Judas 21
Openbaring 2:25, Openbaring 3:10, Lukas 21:28, Lukas 21:36

‘Laat uw hart niet in beroering raken; u gelooft in God, geloof ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken. En als Ik heengegaan ben en plaats voor U bereid heb, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook U zult zijn waar Ik ben.’

Deze tekst (Johannes 14: 1-4) is voor veel christenen erg bekend. Christus spreekt hier niet over de dood; Hij spreekt over een moment waarop Hij ons komt halen. In andere Bijbelteksten wordt dit ook wel omschreven als het moment dat Jezus Christus aan de gelovigen geopenbaard wordt: het ontmoeten (Psalm 27:4). Hij komt ons halen en brengt ons naar een plek waar Hij een woning voor ons bereid heeft. Volgens deze uitspraak van de Heere blijven we dus niet op de aarde op het moment dat Hij ons komt halen: er is geen opname en wederkomst inéén, niet een naar boven en gelijk weer naar beneden. We gaan naar het huis van de Vader toe. Hoe dat zal zijn als de Heere terugkomt om ons tot Hem te nemen, wordt verder uitgelegd in Thessalonicenzen (hoofdstuk 4, vers 16 en 17).

Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn. Zo dan, troost elkaar met deze woorden.’

De eerste tekst uit Johannes gecombineerd met deze tekst uit Thessalonicenzen leidt tot de conclusie dat de Heere afdaalt naar de aarde om ons te halen, maar niet echt op de aarde komt: zodra Hij is afgedaald richting de aarde, ontmoeten wij Hem in de lucht en gaan met Hem mee naar het huis van de Vader.

Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet kunnen beërven, en de vergankelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet. Zie, ik vertel u een geheimenis: Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin. Immers, de bazuin zal klinken en de doden zullen als onvergankelijke mensen opgewekt worden, en ook wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet zich met onvergankelijkheid bekleden en dit sterfelijke moet zich met onsterfelijkheid bekleden.’

Deze tekst uit 1 Korinthe 15, vers 50 tot 53, legt nog weer een stapje verder uit hoe de opname eruit zal zien. Als Paulus hier het woord geheimenis gebruikt, dan bedoeld hij daarmee dat hij iets verteld wat voorheen onbekend was en vanaf dat moment geopenbaard wordt. Hij vertelt ons dat wij niet allen zullen sterven. De doden zullen eerst een nieuw lichaam krijgen, een lichaam dat niet meer onderhevig zal zijn aan veroudering (onvergankelijk). Daarna zullen de gelovigen in een ondeelbaar ogenblik ook een nieuw lichaam krijgen waarmee zij het Koninkrijk van God kunnen binnen gaan.

Nog een detail: tijdens de opname zullen alleen hen die Hem verwachten Hem zien, maar de rest van de mensheid niet (Hebreeën 9:28). Dit is een groot verschil met de wederkomst, waarbij alle bewoners van de aarde Hem zullen zien en zullen sidderen (zie bijvoorbeeld Openbaring 1:7, Jesaja 63:1-6).

‘zo zal ook Christus, Die eenmaal geofferd is om de zonden van velen weg te dragen, voor de tweede keer zonder zonde gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid.’

De meest uitgesproken teksten spreken niet alleen over de opname maar geven daar ook een tijdsaanduiding bij, zoals dat in Johannes 14:1-4 impliciet gebeurd (we gaan naar het huis van de Vader toe; het vindt dus ruim voor het duizendjarig vrederijk op aarde plaats). Ik wil nu vanuit het perspectief van deze tijdsaanduiding langs een aantal andere ‘opnameteksten’ wandelen.

Opname voor de verdrukking: het Nieuwe Testament
In Openbaring 3:10 stelt Christus dat de gemeente van Filadelfia bewaard zal worden voor het uur van de verzoeking. De verzoeking waarover hier gesproken wordt, is wereldwijd. Er is nog nooit in de geschiedenis een wereldwijde verzoeking geweest en er zal ook maar eenmaal een wereldwijde verzoeking zijn: dat is de verdrukking (Markus 13:19, Mattheus 24:21,22), oftewel de 70e jaarweek uit Daniel (Daniel 12:1).

‘Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, die over heel de wereld komen zal, om hen die op de aarde wonen te verzoeken.’

Met wat bredere termen wordt dit ook omschreven in 1 Thessalonicenzen 5:9:

Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem zouden leven.’

En in 1 Thessalonicenzen 1:10:

‘…. En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij uit de doden heeft opgewekt, namelijk Jezus die ons verlost uit de komende toorn.’

Een ander perspectief op de timing van de opname wordt gegeven in 2 Thessalonicenzen 2:6-8.

En u weet wat hem nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt. Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is. En dan zal de wetteloze geopenbaard worden.’

Om deze tekst uit Thessalonicenzen beter te begrijpen, is het beter om het hele hoofdstuk te lezen. Met de wetteloze wordt de wereldleider bedoeld die tijdens de verdrukking op het podium zal verschijnen. Deze wereldleider, ook wel vaak de antichrist genoemd, kan zichzelf pas bekend maken als de weerhouder verdwenen is. Met de weerhouder wordt gedoeld op de Heilige Geest, die aanwezig is op de aarde door de gelovigen. De antichrist verschijnt pas op het toneel als deze gelovigen weg zijn.

De volgende tekst over de opname komt uit Lukas 21 (vers 28 en 36), deze woorden komen overeen met het eerder genoemde vers uit 2 Petrus 3, waarin gesteld wordt dat de verdrukking alleen de goddelozen treft (vers 7). Lukas 21 beschrijft niet hetzelfde als Mattheus 24, dat alleen het einde van de wereld beschrijft. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit de context: Mattheus 24 verhaalt het gesprek tussen de Heere en alleen zijn discipelen op de Olijfberg (Mattheus 24:3), Lukas 21 speelt zich af tijdens het onderwijzen van het volk in de tempel.

‘Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op, omdat uw verlossing nabij is.’

‘Wees op uw hoede dat uw hart niet op enig moment bezwaard wordt door roes en dronkenschap en door zorgen over de alledaagse dingen, en dat die dag u niet onverwachts overkomt. Want als een strik zal hij komen over allen die op het hele aardoppervlak wonen. Waak dan te allen tijde en bid dat u waardig geacht zult worden om al die dingen die gebeuren zullen, te ontvluchten en om te kunnen bestaan voor de Zoon des Mensen.’

Voorafgaand aan deze tekst in Lukas 21 wordt in de verzen 20 tot en met 24 de val van Jeruzalem omschreven in het jaar 70. In vers 24 wordt vervolgens gesteld dat Jeruzalem door de heidenen vertrapt zal worden, tot de tijd van de heidenen vervuld zal zijn. Het ‘vervuld zijn’ van die tijd gebeurde in 1968, toen Jeruzalem weer onderdeel werd van Israël. In vers 25 en 26 schetst de Heere met slechts enkele woorden de Verdrukking, waarna de wederkomst zal zijn: ‘in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.’ In deze context stelt Christus dat als we van deze dingen het begin zien, dat we dan onze hoofden moeten opheffen, omdat dan onze verlossing nabij is. Er staat niet dat onze verlossing komt nádat we al deze dingen hebben meegemaakt, nee, als het begint te gebeuren. Dit betekent dus ook dat de oplettende christenen voor de opname zullen zien dat het begint te gebeuren. Zij zullen pas vlak voor de verdrukking worden weggenomen - anders kun je immers niet zien dat het begint te gebeuren. In overeenstemming hiermee stelt onze Messias in vers 36 dat er voor ons een mogelijkheid is om de dingen die zullen gebeuren te ontvluchten- de opname. Dit ontvluchten van de verdrukking resulteert in het ‘kunnen bestaan voor de Zoon des mensen.’ Hij heeft het hier dus niet meer over het vluchten voor de val van Jeruzalem, dat omschrijft Hij in vers 20 tot en met 24, maar over het ontvluchten van de Verdrukking, door de  opname.

Terzijde: wanneer begint de verdrukking?
Als de opname van de gemeente plaatst vindt voor de verdrukking, dan is de vraag hoe we kunnen weten of de verdrukking begonnen is, essentieel. Door Openbaring 6:2 weten we dat de toorn van God aanvangt met de opening van het eerste zegel: het witte paard, oftewel de komst van de antichrist. Een preciezer antwoord op deze vraag is te lezen in Daniel 9:27. De 70e jaarweek van Daniel begint precies op de dag dat de wetteloze een verbond bekrachtigt tussen Israël en velen. Dat betekent naar mijn inzicht dat er in de fase voor de verdrukking (vredes-)akkoorden ontstaan tussen Israël en andere landen. De  wetteloze, de antichrist, zal dit verbond bekrachtigen. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door deze akkoorden uit te breiden met andere landen of door deze vredesakkoorden een economische boost te geven. De antichrist hoeft op dat moment geen wereldleider te zijn. Het kan zijn dat het bekrachtigen van deze verbintenis met Israël zijn eerste publieke optreden zal zijn, waarna hij later pas wereldleider zal worden. Aan de andere kant zou het ook zo kunnen zijn dat hij al wereldleider is, als hij dit verbond met Israël bekrachtigd. In dat geval is er een kort tijdsinterval tussen de opname en de aanvang van de verdrukking waarbinnen de antichrist de wereldmacht in handen neemt, want de gemeente is hoe dan ook afwezig op het moment dat hij bekendheid verwerft. Het verbond dat de antichrist bekrachtigd zou tot slot ook onderdeel kunnen zijn van een groter (wereldwijd) vredesverbond waarbij de antichrist als vredesmakelaar ook voor andere landen vredesakkoorden regelt.

Terzijde: de dwaling in de eindtijd
Een andere interessant punt in 2 Thessalonicenzen 2 is dat er geprofeteerd wordt dat rond de tijd van de aanvang van de verdrukking alle mensen die de waarheid niet liefhebben in een krachtige dwaling zullen gaan geloven (vers 11 en 12). Volgens sommige interpretaties is de krachtige dwaling die hier genoemd wordt dezelfde als die in Openbaring 18:23 genoemd wordt. De ‘tovenarij’ in dit vers is een vertaling van het Griekse woord ‘farmakeia’ en heeft alles te maken met een farmaceutische misleiding. Volgens deze interpretatie zou de corona-prik de misleiding kunnen zijn waar het hier om gaat. Alle mensen die de waarheid niet liefhebben zullen deze misleiding geloven en volgzaam zijn als het gaat om de coronaprikken en de inzet van de QR-code; deze zullen uiteindelijk leiden tot de vormgeving van het merkteken van het beest (Openbaring 3:16-17).

Volgens anderen gaat deze krachtige dwaling over een verklaring voor de opname: de opname zal ‘wegverklaard’ worden door buitenaardse wezens (lees: demonische machten). Deze buitenaardse wezens zullen direct na de opname op aarde verschijnen. Zij zullen de mensen vertellen dat zij verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de mensheid en zij zullen vertellen dat de verdwenen mensen verwijderd moesten worden om een volgende stap in de evolutie te zetten. Hierbij speelt de transhumanistische agenda een belangrijke rol. De dwaling die in Thessalonicenzen genoemd wordt heeft dan alles te maken met Daniel 2:43: in het laatste wereldrijk wordt het menselijk zaad gemengd met iets dat niet van menselijke aard is.

Een derde mogelijke interpretatie is dat de krachtige dwaling die hier genoemd wordt alles te maken heeft met de ‘afval’ in 2 Thessalonicenzen 2:3. Volgens deze interpretatie gaat deze afval over grote kerkverlating en heeft die alles te maken met de opkomst van onder andere de Kingdom Now-theologie, de Word-Faith movement en de New Apostolic Reformation. Deze stromingen hebben alles te maken met de Kundalini-geest: duistere machten doen zich voor als de Heilige Geest en infiltreren in de gemeente.

Hoewel er in 2 Thessalonicenzen 2:11 maar naar één leugen gerefereerd wordt, zijn er vele dwalingen en zijn er vele dwaalleraren actief in de laatste dagen (2 Petrus 2:1). De pijlen zijn gericht op de gelovigen.

Opname voor de verdrukking: Openbaring
De opname van de gemeente wordt in het Bijbelboek Openbaring niet genoemd. Toch zijn er meerdere hints in de Openbaring van Jezus Christus waaruit blijkt dat de opname wel degelijk plaats vindt – voor de verdrukking.

Een aantal punten ter overdenking op een rij:

• De 24 oudsten zingen in hoofdstuk 5 in vers 9 en 10 een loflied over hoe God hen heeft gekocht met het bloed van Zijn Zoon en zij zingen over hoe zij zullen regeren over de aarde als koningen en priesters. Uit dit loflied blijkt dat de 24 oudsten een omschrijving van de gelovigen moeten zijn (zie ook mijn artikel over de structuur van Openbaring). Zij zijn in de hemel ná de omschrijving van de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3 en voordat de zeven zegels met oordelen geopend worden.

• In Openbaring 19 wordt de bruiloft van het Lam omschreven (vers 6-10). In vers 8 staat omschreven wie de bruid is: ze is gekleed in blinkend fijn linnen, dat zijn de gerechtigheden van de heiligen. De heiligen zijn dus de bruid. Deze bruiloft vindt plaats voordat de Heere naar de aarde gaat (vers 11-21).

• In Openbaring 20:4 wordt het de heiligen gegeven om te oordelen over gelovigen uit de verdrukking, dat zijn ‘de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, en die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden, en die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en op hun hand.’
Dat het de heiligen uit de opname zijn die hier de zielen oordelen die uit de verdrukking komen , wordt duidelijk door deze tekst te vergelijken met 1 Korinthe 6:2-3: ‘Weet u niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen?’ Dit betekent dat de heiligen al in de hemel zijn op het moment dat de zielen uit de verdrukking, zij die onthoofd zijn, in de hemel komen. Dit betekent dat de opname voor de verdrukking plaats vindt.

• De afwezigheid van de gemeente in Openbaring 6 tot en met 19 waarin de verdrukking wordt omschreven is bijzonder. Als de gelovigen tijdens de verdrukking op aarde zouden zijn, dan zou er toch wel ergens iets over het lot van de gelovigen in de verdrukking moeten staan? Hier wordt geen letter aan gewijd, omdat zij niet op de aarde zijn tijdens de verdrukking. Er wordt zelfs een engel naar de aarde gestuurd om het evangelie te verkondigen tijdens de verdrukking (Openbaring 14:6-7) – dit is nodig omdat de gemeente niet meer aanwezig is op de aarde tijdens de verdrukking.

• Er worden in Openbaring 6 tot en met 19 twee maal martelaren genoemd die gedood zijn om hun geloof - wat volgens sommigen haaks staat op de opname voor de verdrukking. In Openbaring 6:9 wordt de eerste groep genoemd: dit zijn gelovigen die tijdens het vijfde zegel gedood worden. Zij moeten wachten op hun mededienstknechten die ook gedood zullen worden (vers 11). Openbaring 13:15 spreekt van deze mededienstknechten, deze tweede groep martelaren: dit zijn zij die tijdens de Grote Verdrukking (de tweede helft van de verdrukking) weigeren om het beeld van het beest te aanbidden of het merkteken van het beest aan te nemen. Deze twee groepen worden samen genoemd in Openbaring 20:4. Consistent met de totale verhaallijn moeten we wel concluderen dat het hier gaat om de martelaren omwille van Christus die ná de opname en/of tijdens de verdrukking tot geloof gekomen zijn.

• In Openbaring 19 vers 14 staat omschreven dat de bruid van het Lam, oftewel de christenen uit de opname, Jezus Christus volgen tijdens de wederkomst: zij komen achter Hem aan bij de wederkomst. Dit betekent dat de christenen voor de wederkomst van Christus bij Hem in de hemel zijn. Zij hebben daar de bruiloft van het Lam gevierd en komen nu met Hem naar de aarde. In Zacharia 14:4-5 staat ditzelfde omschreven, net zoals in Kolossenzen 3:4. Dit betekent dat de opname van deze gelovigen (ruim) voor de wederkomst heeft plaats gevonden: voordat zij naar de aarde komen, moeten zij de tijd gehad hebben om de bruiloft van het Lam te vieren.

Opname voor de verdrukking: de remezim in het Oude Testament
In het Oude Testament wordt de wederkomst van Jezus (dus na de verdrukking) uitgebreid omschreven, terwijl in het Nieuwe Testament vooral over de opname van de gemeente is te lezen. Deze vuistregel kent (naast de Openbaring van Jezus Christus) een paar uitzonderingen, namelijk de remezim. Een remez is een joodse manier om iets te leren of iets te vertellen door middel van een verborgen boodschap. Deze verborgen boodschap is bij een remez alleen niet echt verborgen, eigenlijk staat het pal voor je neus. Een remez is alleen te begrijpen door het in de context te plaatsen van de totale Schrift: om een remez te zien heb je dus brede kennis van de gehele Schrift nodig. In het Oude Testament zijn (in ieder geval) drie remezim over de opname te vinden: teksten die, als je niet bekend zou zijn met de opname, volledig verborgen zouden blijven. Naar mijn mening is een van de mooiste daarvan te vinden in Jesaja 26: 19-21:

‘Uw doden zullen leven – ook mijn dood lichaam – ze zullen opstaan.
Ontwaak en juich, u die woont in het stof,
want Uw dauw zal zijn als op jong, fris groen
en de aarde zal de gestorvenen baren.
Ga Mijn volk, treed uw kamers binnen,
sluit uw deuren achter u.
Verberg u voor een klein ogenblik,
totdat de gramschap over is.
Want zie, de Heere gaat uit Zijn plaats
om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te vergelden.
De aarde zal het bloed dat erop vergoten is, aan het licht brengen.
Zij zal haar gedoden niet langer bedekt houden.’

Jesaja profeteert hier over een moment waarop de lichamen van de doden zullen opstaan en de mensen die wonen op de aarde een nieuw lichaam krijgen (‘dauw als op jong fris groen’). Deze mensen moeten hun kamers binnen treden (vergelijk Johannes 14) om te schuilen voor de tijd van gramschap over de hele aarde. In Zefanja 2:3 staat iets vergelijkbaars:

‘Zoek de Heere, alle zachtmoedigen van het land, die zijn recht uitvoeren. Zoek gerechtigheid, zoek zachtmoedigheid, misschien zult u dan verborgen worden op de dag van de toorn van de Heere.’

Psalm 27:5 vertelt wederom hetzelfde:

‘Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut op de dag van het onheil.
Hij verbergt Mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.’

Het woord rots in het Oude Testament is vaak (meestal) een verwijzing naar Jezus Christus. Het schuilen in de hut is wederom in overeenstemming met Johannes 14: 1-4, de Bijbeltekst waar we mee begonnen zijn. Psalm 31 (vers 21) geeft weer een vergelijkbare boodschap, waarbij ik wil opmerken dat ‘de man’ hier heel goed een verwijzing zou kunnen zijn naar de antichrist:

‘U verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht voor het hoogmoedig gedrag van de man, U doet hen schuilen in een hut voor het getwist van de tongen.’

Berekeningen en imminentie
Een bepalend onderscheid tussen de wederkomst van Jezus Christus - aan het einde van de verdrukking - en de opname - voor de verdrukking – ligt in de vraag of wij weten wanneer het zover is.

Wie in het boek Daniel leest, zal het opvallen dat er in dit boek veel getallen, dagen, jaren en andersoortige periodes genoemd worden die het mogelijk maken om dingen precies te berekenen. Het is belangrijk om met deze tijdsaanduidingen die in Daniel gepresenteerd worden aan de slag te gaan. Immers, als de Farizeeën en de Sadduceeën berekeningen hadden gemaakt met de aanwijzingen uit Daniel, dan hadden zij precies geweten wanneer de Messias zijn intrede zou doen in Jeruzalem en dan hadden zij geweten dat Jezus wel de Messias moest zijn. Deze berekening had hun leven kunnen redden. Daniel 9:25 bevat de basiskennis om deze rekensom te maken:

‘U moet weten en begrijpen:
Vanaf de tijd dat het woord uitgaat
om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen
tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken.
Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden,
Maar wel in benauwde tijden.’

Ik kan hier zeker een interpretatiefout maken of een rekenfout, maar grofweg zou een berekening op basis van deze tekst er zo uit kunnen zien: ‘de tijd dat het woord uitgaat’ is het moment dat de opdracht uitgaat om Jeruzalem te herbouwen. Dit gebeurde door Artaxerxes Longimanus op 14 maart 445 v.C.. Een week van zeven dagen staat voor een periode van zeven jaar. In de Bijbel bevat een jaar meestal 360 dagen. 69 x 7 x 360 = 173880 dagen. Vanaf 14 maart 445 b.C. gerekend levert dit aantal dagen de datum 6 april in het jaar 32 n.C. op. Dit zou dan de dag zijn waarop de Messias zijn triomfentree deed in Jeruzalem, rijdend op een ezel (Zacharia 9:9).

Wat betreft de wederkomst van Jezus kunnen we eveneens berekeningen maken: dit zal drieënhalf jaar na het moment dat de antichrist het verbond zal verbreken en zijn eigen beeld zal plaatsen in het Heilige der Heiligen (Daniel 9:27, Daniel 12:10-12) plaatsvinden oftewel zeven jaar na het begin van de verdrukking (Daniel 9:27). We hoeven wat betreft de wederkomst van Jezus ook niet waakzaam te zijn of te denken dat het ieder moment kan gebeuren, want we weten precies welke dingen aan de wederkomst voorafgaan (zeven zegels, zeven bazuinen, zeven schalen in Openbaring). Zolang de gebeurtenissen van Openbaring 6-19 nog niet hebben plaats gevonden, hoeven we de wederkomst van de Heere niet te verwachten.

Precies te kunnen weten wanneer de wederkomst van de Heere zal zijn, brengt mij bij het principe van imminentie: meerdere malen in de Bijbel wordt genoemd dat wij niet weten wanneer de komst van Jezus zal zijn (imminent) en dat we altijd klaar moeten staan, omdat het voor ons onverwacht zal kunnen zijn:

‘Wees dan waakzaam, want u weet niet op welk moment uw Heere komen zal.’ (Mattheus 24:42)

‘Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn.’ (1 Thessalonicenzen 5:6)

‘Wees dan waakzaam, want u weet de dag en ook het uur niet waarop de Zoon des mensen komen zal.’(Mattheus 25:13)

‘Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader.’ (Mattheus 24:36)

Aangezien te berekenen is wanneer de wederkomst zal plaats vinden en aangezien er een heleboel aan de wederkomst vooraf zal gaan, kunnen deze teksten niet over de wederkomst gaan. De wederkomst kan niet ieder moment plaats vinden, hij vindt precies plaats nadat alle oordelen uit de verdrukking hebben plaats gevonden. Dit betekent dat deze teksten alleen over een opname vóór de verdrukking kunnen gaan. Alleen de opname voor de verdrukking kan zonder voorafgaande tekenen, imminent, plaats vinden.

Weten wanneer het zover is…
Er zijn nog meer teksten in de Bijbel die wijzen op de imminentie van de opname, maar die tegelijk ook een keerzijde laten zien.

Openbaring 3:3:

‘Als u dan niet waakzaam bent, zal Ik bij u komen als een dief en u zult beslist niet weten op welk uur Ik bij u zal komen.’

Deze tekst uit Openbaring vertelt dat Jezus zal komen als een dief in de nacht als u niet waakzaam bent. Omgekeerd betekent deze zin dus dat u, als u waakzaam bent, ongeveer kunt weten wanneer de Heere zal komen. Er staat dus niet dat te berekenen valt wanneer de opname plaats vindt, zoals dat wel mogelijk is bij de wederkomst: er staat dat waakzaamheid kan leiden tot een reëel verwachtingspatroon ten aanzien van de opname.

1 Thessalonicenzen 5:1-4,6:

‘Maar wat de tijden en gelegenheden betreft, broeders, is het voor u niet nodig dat men u schrijft. Want U weet zelf heel goed dat de dag van de Heere komt als een dief in de nacht. Want wanneer zij zullen zeggen vrede en veiligheid: dan zal een onverwacht verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw, en zij zullen het beslist niet ontvluchten. Maar u, broeders, bent niet in de duisternis. Zodat die dag u als een dief zou overvallen….. Laten wij dan niet evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn.’

De dag van de Heere komt als een dief in de nacht in een tijd dat mensen zullen spreken over vrede en veiligheid. Maar, zegt deze tekst: voor de gelovigen komt de eindtijd niet onverwacht, want de gelovigen slapen niet zoals de anderen, maar zijn waakzaam en nuchter. Als waakzame gelovigen de dag van de toorn van de Heere kunnen zien aankomen, dan kunnen zij daarmee ook grofweg een inschatting maken van het moment van de opname.

‘Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op, omdat uw verlossing nabij is.’

Deze tekst uit Lukas (21:28) heb ik al eerder aangehaald, maar hier wil ik een ander aspect van deze woorden belichten: Jezus zegt ons hier het hoofd op te heffen, als we deze dingen zien beginnen. De vooronderstelling die aan deze opmerking ten grondslag ligt, is de gedachte dat we het kunnen zien beginnen; we kunnen blijkbaar weten wanneer het zover is.

Lukas 12:41-46:

En de Heere zei: Wie is dan de trouwe en verstandige rentmeester, die de Heer over zijn huisbedienden zal aanstellen om aan hen op de juiste tijd voedsel te geven dat hun toekomt? Zalig de slaaf die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden. Werkelijk, Ik zeg u dat Hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen. Als die slaaf echter in zijn hart zou zeggen: mijn Heer blijft nog lang weg en zou beginnen de knechten en de dienstmeisjes te slaan, te eten en te drinken en dronken te worden, dan zal de heer van deze slaaf komen op een dag waarop hij hem niet verwacht, en op een uur dat hij niet weet; en hij zal hem in stukken houwen en hem in het lot doen delen van hen die ontrouw zijn.’

Ten eerste zegt de Heere hier dat het belangrijk is hoe Hij ons aantreft als Hij komt: juist handelend. Maar als iemand leeft in de verwachting dat de opname nog wel een tijdje zal duren en zich daarom gedraagt op een wijze die niet door de beugel kan, dan zal de opname op een totaal onverwacht moment zijn. De mensen die de opname niet verwachten en zich zondig gedragen, zal hetzelfde lot treffen als de mensen die niet geloven (ontrouw zijn). Dit is in lijn met Lukas 21 vers 34, waar Jezus oproept om waakzaam te zijn: hij waarschuwt voor roes en dronkenschap en voor zorgen over de alledaagse dingen (dit laatste wordt in Lukas 12 eten en drinken genoemd). Ook in deze tekst zit weer dezelfde tegenstelling als in de voorgaande teksten: als mensen denken dat Hij nog niet komt en zich bezighouden met hun zondige bestaan, dan zal de opname onverwacht zijn. Het tegengestelde is dus ook waar: als mensen leven vanuit de verwachting dat Hij zo kan komen en de tekenen bestuderen, dan zal Hij niet onverwacht komen. Opgeteld vertellen deze drie Bijbelteksten ons dat waakzame gelovigen dus weten wanneer de opname nabij is.

Typologie
In de Bijbel wordt regelmatig gebruik gemaakt van typen. Typen zijn een voorafschaduwing van dat wat komen gaat. Hoewel een type niet een directe omschrijving geeft van een gebeurtenis helpt een type wel om bepaalde dingen beter te doorgronden, te begrijpen. Het is als het ware een illustratie die God ons geeft door verhalen uit het Oude Testament om de gebeurtenissen in het Nieuwe Testament of in de toekomst beter te begrijpen. Typen zijn geen bewijsmateriaal om iets aan te tonen als Bijbelse waarheid, maar een type geeft wel ondersteunend bewijs. De Bijbel geeft zelf ook uitleg over het gebruik van typen of voorafschaduwingen, dit is bijvoorbeeld te lezen in Hebreeën 10:1, Kolossenzen 2:17, Hebreeën 8:5, 1 Korinthe 10:4,6,11 en 1 Petrus 3:21.

Sommige typen zijn binnen kerkelijk Nederland zeer bekend en worden in preken regelmatig gebruikt. Een voorbeeld hiervan is Abraham die de opdracht krijgt zijn zoon Izaäk te offeren. Hoewel het niet de intentie was om Izaäk daadwerkelijk te offeren (Genesis 22:5; God voorzag zelf in een bokje om te offeren, Genesis 22:13), laat het verhaal voelen hoe het moet zijn om als Vader de Eniggeboren Zoon te moeten offeren. Deze typologie van Izaäk voor de Zoon van God gaat nog verder: Izaäk komt vanaf het offer tot het moment dat hij zijn bruid ontmoet niet meer voor in de tekst (Genesis 24:62). Deze afwezigheid is een verwijzing naar de tijd van de gemeente: zoals Izaäk verdwijnt uit de verhaallijn, zo ook verdwijnt de Zoon van God na het offer uit de verhaallijn tot het moment dat Hij zijn bruid komt halen. De dienaar die de bruid zoekt voor Izaäk, is een type van de Heilige Geest.

Er zijn op deze manier meerdere typen van de opname voor de verdrukking te noemen. Interessant is dat er geen typen in de Bijbel te vinden zijn van een opname tijdens of na de verdrukking. Om de betekenis van de opname te begrijpen en de diepte hiervan beter te voelen, volgen hier verschillende typologieën van de opname.

Het verhaal van Lot is een type van de opname voor de verdrukking. God wacht zeer nadrukkelijk met het uitstorten van Zijn toorn over Sodom en Gomorra tot het moment dat Lot en zijn familie zijn gevlucht Genesis 19:22).

‘Haast u! Vlucht daarheen! Want Ik kan niets doen, totdat u daar bent aangekomen.’

Het oordeel over Sodom en Gomorra kan pas aanvangen als Lot weg is; de verdrukking vangt pas aan als de gelovigen zijn weggenomen. In Genesis 18:23-33 legt God dit principe in gesprek met Abraham uit: de toorn van God komt pas op het moment dat de rechtvaardigen verwijderd zijn.

Het verhaal van Henoch en Noach kan ook gezien worden als een type van de opname en de verdrukking. Er zijn in dit verhaal mensen die omkomen tijdens de vloed, er zijn mensen die door het water heen gered zullen worden en er is iemand die vóór de vloed wordt weggenomen van de aarde: Henoch. Henoch is hierin een type van de gemeente die voor de verdrukking wordt opgenomen; Noach en zijn gezin staan voor de mensen die door de verdrukking heen gered zullen worden (dit is het overblijfsel van Israël, Jeremia 50:20 en/of de gelovigen uit de verdrukking, Openbaring 7:14, Openbaring 20:4).

Een heel bijzondere type van de opname en de verdrukking is het verhaal van de vrienden van Daniel, te lezen in Daniel 3. Nebukadnezar maakt in dit verhaal een beeld. Hij wil dat iedereen buigt voor dit beeld, wie niet buigt zal in de brandende oven worden geworpen. Daniel is in dit verhaal afwezig, hij heeft voor de oprichting van dit beeld een hoge positie aan het hof gekregen (Daniel 2:49), maar bleef in de poort van de koning. Zijn Joodse vrienden Sadrach, Mesach en Abed-Nego besturen het gewest Babel en worden gedwongen voor het beeld  neer te vallen en te aanbidden. Als zij dat niet doen, worden zij in de hete oven geworpen. De oven zal zeven maal heter opgestookt worden voor hen die niet buigen voor het beeld (vers 19). Het getal zeven is hier een verwijzing naar de zevenjarige verdrukking. Daniel wordt vóór de tijd waarin het beeld aanbeden moet worden, weggenomen: dit is een type voor de opname van de gemeente. Zijn joodse vrienden gaan wel door de verdrukking, maar worden in de brandende oven gered. Dit is in lijn met Jozef die zijn joodse familie halverwege de zevenjarige periode van honger redt. Dit zijn beiden typen van de vlucht naar Petra halverwege de verdrukking (Openbaring 12:6).

Jozef is erg bekend als een type van de Messias. De liefde die Jozef ontving van zijn vader en de afwijzing door zijn broers die Jozef ervaren heeft, heeft de Messias ook ervaren. Beiden ondergingen (een poging tot) moord en beiden vertrekken dan om heerser te worden: Jozef als onderkoning van Egypte, Jezus Christus troont aan de rechterhand van zijn Vader in de hemel. De periode van zeven jaar honger in Egypte is een type van de verdrukking. Jozef redt tijdens deze hongerperiode zijn broers: hij vergeeft hen, redt hen van de hongerdood en geeft hen een toekomst in het land Egypte. Op dezelfde manier zal Christus het overblijfsel van Israël halverwege de verdrukking vergeven en redden (zie bijvoorbeeld Jeremia 50:20).  Wat betreft de opname in dit type: Jozef, als type van de Messias, huwt vóór de zevenjarige periode van honger en ellende een vrouw uit de heidenen (Genesis 41:45).

Tot slot voegt 2 Koningen 2, het verhaal over de opname van Elia, nog een dimensie toe aan de betekenis van de opname. Elia is in dit verhaal een beeld van de gemeente: Elia sterft niet, maar wordt met vurige wagens opgenomen in de hemel. Voordat Elia opgenomen wordt, vraagt Elisa een dubbel portie van de Geest te ontvangen die Elia bezielde. Elisa neemt de mantel van Elia over en in het verdere van Elisa’s leven is te zien dat hij in Naam van de Allerhoogste precies twee keer zoveel wonderen verricht als Elia. Dit beeld gaat over Israël: na de opname van de gemeente (opname van Elia) zal God tijdens de verdrukking met Israël en Juda verder gaan; zij nemen de mantel over. Het overblijfsel van Israël en Juda zal tijdens de verdrukking, zoals Elisa, een dubbele portie van de Heilige Geest ontvangen. Het resultaat daarvan is terug te zien in Openbaring 7:1-8, waar wordt omschreven hoe uit de stammen van Israël 144.000 verzegeld worden.

Een laatste type van de opname, is dat van de Galilese bruiloft. Een aantal woorden van Jezus zijn direct met deze traditie te verbinden. Binnen deze traditie was het gebruikelijk dat bruid en bruidegom voor het huwelijk een verbond sloten: de bruidegom betaalt een prijs voor de bruid. Dit is wat Christus voor ons heeft gedaan aan het kruis. De aanstaande bruiloft wordt bevestigd met wijn; vergelijkbaar met het laatste avondmaal met de discipelen. De bruidegom vertrekt vervolgens en geeft het wijnglas aan de bruid, zodat zij in de tijd dat ze moet wachten op de bruidegom, de belofte van de bruidegom kan gedenken. Het eerste moment dat de bruidegom weer van de wijn drinkt, is op het moment dat hij de bruid weer zal ontmoeten. Jezus refereert aan deze symboliek bij de instelling van het avondmaal, Mattheus 26:29:

‘Ik zeg u dat ik van nu aan van de vrucht van de wijnstok niet zal drinken tot op de dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader.’

De bruidegom vertrekt om in het huis van zijn vader een kamer te maken voor hemzelf en de bruid. Jezus omschrijft dit in Johannes 14:1-4. De Vader bepaalt vervolgens wanneer alles gereed is en de bruidegom de bruid stiekem, in de nacht, mag wegstelen. Jezus spreekt hierover in de context van de opname in Mattheus 24:36:

‘Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader.’

De bruidegom steelt haar die nacht onverwacht mee, tilt haar op een draagbaar en brengt haar naar het huis van zijn vader. Vervolgens vindt er een bruiloftsfeest plaats van zeven dagen, een periode die dus gelijk is aan de periode van de verdrukking. Voor meer informatie over de Galilese bruiloft als type voor de opname raadt ik de DVD ‘Een mysterie ontsluierd’ aan.

Bezwaren tegen de opname (voor de verdrukking)
Tot zover een serie Bijbelteksten en analyses die duidelijk maken dat de opname een Bijbelse belofte is en dat deze voor de verdrukking plaats vindt. Ongetwijfeld zult u vele mensen zijn tegengekomen die iets heel anders over de opname beargumenteren. 
Over het algemeen kunnen over dit brede spectrum aan meningen twee vuistregels gehanteerd worden:
1. Des te meer de neiging er is om de Bijbel niet letterlijk te nemen, te allegoriseren en teksten ‘in geestelijke zin’ op te vatten, des te minder er wordt geloofd in de opname.
2. Des te fundamentalistischer de christen is, des te groter de kans dat hij gelooft in de opname.

Kortweg: het al dan niet geloven in de opname en wederkomst van Jezus heeft alles te maken met de mate van vrijzinnigheid. Vrijzinnigheid is een glijdende schaal waarbij de opname al vrij vroeg wordt losgelaten. De schaal eindigt bij de omschrijving van Jezus als niet meer dan een goed mens, als Hij al bestaan heeft. Veel gebruikte bezwaren die tegen het bestaan van de opname genoemd worden of tegen de opname voor de verdrukking, wil ik kort benoemen.

Eerste bezwaar: de opname voor de verdrukking is bedacht door Darby in 1830
Dit argument gaat ongeveer zo: als de opname voor het eerst wordt genoemd door John Nelson Darby en de ‘The Plymouth brethren’ in de 19e eeuw en dit geloof in alle eeuwen ervoor er niet was, dan moet het wel bedacht zijn. Dit is om meerdere redenen een interessant en wat mij betreft heel fout argument.

Ten eerste is dit tegenargument geschiedvervalsing: het is niet waar dat Darby na 1800 jaar als eerste christen bedacht dat er een opname zou zijn voor de verdrukking, er zijn hem vele gelovigen voorgegaan (Chuck Missler in ‘The Rapture’, YouTube). In navolging van Chuck Missler wil ik daarvan enkele voorbeelden noemen. In het epistel van Barnabas, geschreven in het jaar 100 na Christus, wordt gesproken over een wegneming van de gelovigen voor de verdrukking. Ook Irenaeus schrijft hierover in zijn boek ‘Against Heresies’. Hippolytus beschreef de opname voor de verdrukking in de tweede eeuw na Christus eveneens; Justinus de Martelaar benoemde de opname in ‘Dialogue with Trypho’ en tot slot legde de meer bekende Ephraem de Syriër in de vierde eeuw na Christus de opname voor de verdrukking uit. Ephraem schrijft hierover rond het jaar 350 na Christus in zijn werk ‘Over de laatste dingen, de antichrist en het einde van de wereld’:

‘Want alle heiligen en de uitverkorenen van God worden verzameld, voor de verdrukking die zal komen, en zullen gebracht worden naar de Heere, zodat zij de verwarring die de wereld zal overvallen vanwege  hun zonden niet zullen meemaken.’

Andere voorbeelden van kerkvaders voor Darby die geloofden in de opname van de gemeente voor de verdrukking zijn: Peter Jurieu (The approaching deliverance of the church, 1687), Philip Doddridge (Commentary on the New Testament, 1738), John Gill (Commentary on the New Testament, 1748), James Macknight (Commentary on the Apostolical Epistels, 1763) en Thomas Scott (Commentary on the holy Bible, 1792).

Ten tweede is het Darby-argument vanuit de argumentatieleer bezien een niet geldig argument, omdat het niet over de inhoud gaat. Stelt u zich eens voor dat uw kind bij u zeurt om naar een feestje te kunnen. Het gebruikt als argument: ‘Al mijn klasgenoten mogen ook gaan.’ Misschien gaat u daardoor overstag, maar de vraag wat anderen wel of niet doen is geen geldig argument voor de eigen keuzes, want de keuze van een ander individu kan niet zondermeer beschouwd worden als maatstafgevend. Zo is het ook niet relevant wat bepaalde theologen of Darby van dit onderwerp vinden of vonden. Het gaat om de inhoudelijke argumenten die zij gebruiken en niet om de hoeveelheid mensen die een bepaalde mening zijn toegedaan.

Ten derde is de kennis van meningen van andere mensen hooguit ondersteunend, interessant of ter overweging. Bij een onderwerp als deze is het altijd de eerste vraag wat de Bijbel zegt over het thema. Of er eeuwenlang of in grote werelddelen geen erkenning is geweest voor bepaalde Bijbelteksten, maakt deze Bijbelteksten niet minder waar. Ik wil niet stellen dat het niet nuttig kan zijn om boeken te bestuderen met meningen van theologen of andere deskundigen over de Bijbel, maar uiteindelijk is alleen de Bijbel zelf relevant. Ter illustratie: de gedachte dat de ziel de hemel zou kunnen bereiken door veel geld te geven aan de geïnstitutionaliseerde kerk is door miljoenen mensen eeuwenlang geloofd, maar dat maakt niet dat het waar is. Alleen de vraag wat de Bijbel hierover zegt is bepalend. Vergelijkbaar is de vraag wat veel mensen hebben gedacht over de opname niet relevant, ook al hebben mensen eeuwenlang op een bepaalde manier gedacht. Het gaat om wat er in de Bijbel staat.

Tweede bezwaar: de vervolgde kerk
Dit bezwaar behelst het menselijke gevoel van rechtvaardigheid: er zijn vele christenen in de wereld die moeten lijden om hun geloof. Dat wij dan gered zouden worden voor het grote lijden in de wereld, is oneerlijk. Deze variant ben ik ook tegengekomen: als joden tot geloof in Christus komen, dan mogen zij mee in de opname en hun joodse familie die niet in Christus gelooft mag dan niet mee. Dat kan toch niet juist zijn?

Door de eeuwen heen zijn er rondom verschillende thema’s gedachten over onrechtvaardigheid geweest: oorlogen zijn niet eerlijk, hongersnoden zijn niet eerlijk, de zondvloed ten tijde van Noach was niet eerlijk voor al die kinderen, de oorlogen die de Israëlieten moesten voeren tegen andere volken in Kanaän en dat de mensen gebukt moeten gaan onder de keuze die Adam en Eva maakten – dat is ook niet te verantwoorden. Waarom laat God dat allemaal toe? De opname is niet eerlijk voor mensen die vóór de opname gemarteld zijn om hun geloof en niet eerlijk voor de mensen die Christus niet hebben aangenomen als hun verlosser.

Ik denk dat dit bezwaar ten diepste een aanval is op Gods’ rechtvaardigheid en Zijn soevereiniteit. God beantwoordt dit type vragen in Job 38, waarin Hij de kleinheid van de mens laat zien (Job 38: 2,3, Job 39:35, Job 39:37).

‘Wie is hij die mijn raad duister maakt met woorden zonder kennis?
Omgord nu als een man uw heupen, dan zal Ik u ondervragen.’
‘Zal hij die een rechtszaak voert met de Almachtige, Hem onderwijzen?
Laat hij die God ter verantwoording roept, daarop antwoorden.’
‘Toen antwoordde Job de Heere en zei:
Zie, ik ben te gering, wat zou ik U antwoorden?
Ik leg mijn hand op mijn mond.’

In Jesaja 55:8-9 plaatst God een vergelijkbare opmerking:

‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet mijn wegen,
spreekt de Heere.
Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan u wegen
En Mijn gedachten dan uw gedachten.’

De Heere legt ons uit ook uit waarom de opname niet eerder plaats vond, bijvoorbeeld in de tijd dat christenen in Europa levend verbrand werden of waarom hij wacht terwijl vele Chinese christenen in strafkampen gemarteld worden (2 Petrus 3:9):

‘De Heere vertraagt de belofte niet (zoals sommigen dat als traagheid beschouwen), maar Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen.’

Het perspectief van de Heere is anders dan van hen die dit argument gebruiken. Zijn focus ligt niet op de vraag of we in dit aardse leven lijden moeten doorstaan, maar op de vraag of onze ziel voor de eeuwigheid behouden zal zijn.

Derde bezwaar: de opname komt niet in de Bijbel voor
Variaties van dit argument: de teksten in Mattheüs zijn eigenlijk de enige teksten over de opname, maar die zijn zo beperkt dat ze voor velerlei uitleg vatbaar zijn. Het woord ‘opname’ komt helemaal niet in de Bijbel voor (1 Thessalonicenzen 4:17: het woord ‘weggenomen’ is een vertaling van het woord ‘harpazo’, opname).
Het klopt dat er geen grote lappen tekst gewijd zijn aan de opname, maar het is de vraag hoeveel Bijbelteksten er over een bepaald onderwerp moeten zijn om te stellen dat er een duidelijk Bijbels feit ligt. Wie bepaald hoeveel woorden er in de Bijbel over een onderwerp moeten staan om te kunnen zeggen dat het om een bestaand, Bijbels principe gaat? Om dit punt te illustreren wil ik het principe van de drie-eenheid van God bespreken. Er zijn binnen de gemeenten maar weinig mensen die betwijfelen dat de Heere onze God, één is en tegelijk bestaat uit drie personen: God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Toch zijn er maar zeer weinig Bijbelteksten die aangevoerd kunnen worden als ‘bewijsmateriaal’ voor de drie-eenheid van God. Het zijn veelal indirecte bewijzen, zoals de omschrijving van God als meervoud en slechts enkele teksten, zoals Psalm 2. De meeste christenen vinden ondanks deze beperktheid wel dat er genoeg bewijs is voor de drie-eenheid van God. Bedenk dan dat er voor de opname voor de verdrukking veel meer ‘bewijslast’ is te vinden in de Bijbel dan voor de drie-eenheid.

Vierde bezwaar: de toorn van God is niet hetzelfde als de dag des Heeren
Bijbelteksten die duidelijk maken dat christenen beschermd zullen worden voor de toorn van de Heere gaan niet over de verdrukking. De toorn van de Heere is namelijk niet hetzelfde als de verdrukking, zo  luidt een laatste argument tegen de opname voor de verdrukking. Of: als er gesproken wordt over de dag des oordeels, dan wordt daar de verdrukking niet mee bedoeld. Als we die teksten wegstrepen, dan zijn er geen Bijbelteksten over wat betreft verlossing van christenen voor de verdrukking aan.

De koningen van de aarde, de groten, de slaven, de vrije mensen en alle andere mensen op de aarde die tijdens de verdrukking leven, denken daar anders over. Als de eerste zes zegels geopend zijn, dan zeggen zij hierover dat zij weten dat dit de grote dag van de toorn van het Lam is (Openbaring 6:16-17):

‘En zij zeiden tegen de bergen en de rotsen: Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam. Want de grote dag van Zijn toorn is aangebroken en wie kan dan staande blijven?’
Een laatste gedachte
Nog een laatste losse gedachte over de opname voor de verdrukking: het is gebruikelijk dat voor de aanvang van een oorlog eerst de ambassadeurs uit het vijandige land worden teruggeroepen. Iedere christen is een ambassadeur van Christus (1 Korinthe 5:20). Christus verklaart de oorlog aan de mensen op de aarde die Hem niet willen aannemen tijdens de dag van Zijn toorn; hij laat daarom eerst zijn ambassadeurs vertrekken.

Afsluitend hoop ik dat dit artikel helpt in uw zoektocht om de waarheid te vinden wat betreft de aanstaande opname. Hoewel ik in alle oprechtheid heb geprobeerd de waarheid te vinden en deze aan u door te geven, ben ik me zeer bewust van mijn tekortkomingen. Ik hoop dat u de Bijbel er biddend op naslaat, mijn woorden toetst en zelf verder studeert. Als u erom vraagt, dan zal de Heilige Geest u leiden. Op die manier zult u de Waarheid vinden. De Waarheid is een persoon, Hij is Jezus Christus. In Hem is alles.

‘Maar wanneer Die komt, de Geest van de waarheid, zal Hij U de weg wijzen in heel de waarheid, want Hij zal niet vanuit Zichzelf spreken, maar wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken, en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.’ (Johannes 16:12-13)

Hilga

Hilga - 16:04:46 @ Profetisch | Een opmerking toevoegen

Opmerking toevoegen

Fill out the form below to add your own comments

To reduce automated spam, this function is protected with a captcha.

This requires content from the third-party provider Google to be loaded and cookies to be stored.


 


 

E-mailen
Map
Info
Instagram